Blog

Maximale geluidbelasting windturbine

Maximale geluidbelasting windturbine vastleggen in planregels bestemmingsplan

Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling mogelijk voor een windmolenpark van 4 windturbines. De windturbines worden in een lijnopstelling geplaatst over een afstand van ongeveer 1,2 km. De tiphoogte van de windturbines is ongeveer 150 m. Het type windturbine is niet in het bestemmingsplan vastgelegd.

Appellanten voeren aan dat in het bestemmingsplan ten onrechte niet het type windturbine is vastgesteld. In het akoestisch onderzoek is namelijk uitgegaan van een bepaald type windturbine. Op basis daarvan is de maximale geluidbelasting berekend.

De raad heeft toegelicht dat er geen type windturbine in het plan is vastgelegd omdat de ontwikkelingen op het gebied van windturbines zo snel gaan dat een in het plan vastgelegd type ten tijde van de uitvoering van het plan alweer verouderd kan zijn. De milieugevolgen zullen volgens de raad echter nooit groter zijn dan die in de MER zijn berekend voor het voorkeursalternatief. Dit is volgens de raad geborgd via de aanvraag om omgevingsvergunning.

De Afdeling stelt vast dat in de planregels niet is vastgelegd wat de maximale geluidbelasting mag zijn. Appellanten voeren derhalve terecht aan dat niet in de planregels is geborgd dat de in de MER voor het voorkeursalternatief berekende geluidbelasting niet zal worden overschreden. (…).

Zie uitspraak ABRS 17 april 2019.

geluid windturbine

Belanghebbende windturbines op land

Belanghebbende windturbines op land

De raad van een gemeente in de provincie Zeeland heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de realisatie van een windpark. Het plan maakt 19 windturbines mogelijk. Appellant woont op ongeveer 1.525 meter van de voet van de dichtstbijzijnde windturbine. Hij vreest voor negatieve gevolgen van het windpark.

De vraag die hier aan de orde is, is of appellant wel belanghebbende is in de zin van de Awb.

De raad stelt zich op het standpunt dat appellant geen belanghebbende is. De afstand van de woning van appellant tot de dichtstbijzijnde windturbine is dermate groot dat hij daarvan geen gevolgen van enige betekenis kan ondervinden in de vorm van geluid, slagschaduw en risico. Verder heeft hij niet of nauwelijks zich op de windturbines, aldus de raad.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) “is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit – zoals een bestemmingsplan of een vergunning – toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (…) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. 

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) hanteert zij voor windparken op land als uitgangspunt dat gevolgen van enige betekenis aanwezig kunnen worden geacht binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de voor appellanten dichtstbijzijnde windturbine, gemeten vanaf de voet van de windturbine. In veel gevallen bestaat ook buiten deze afstand zicht op het windpark, vooral als het windpark in een open landschap ligt. De Afdeling gaat er echter van uit dat de gevolgen van het zicht op het windpark voor het woon- en leefklimaat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel te beperkt zijn om nog te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. Daarnaast gaat de Afdeling ervan uit dat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel geen andere gevolgen van enige betekenis van het windpark zijn te verwachten, zoals geluid- of slagschaduwhinder van enige betekenis. 

Het bestemmingsplan maakt windturbines mogelijk met een tiphoogte van maximaal 149,99 meter. Dit betekent dat op een afstand van meer dan 1.499,90 meter in beginsel geen gevolgen van enige betekenis aanwezig worden geacht. Hoewel de woning van appellant zich bevindt op een afstand van meer dan 1.499,90 meter van de dichtstbijzijnde windturbine, bevindt een groot gedeelte van het perceel van appellant, waaronder de direct aan de woning grenzende tuin en een stuk grond waarop een bijgebouw staat, zich wel binnen de afstand van 1.499,90 meter tot de dichtstbijzijnde windturbine. Hierdoor is niet zonder meer uitgesloten dat appellant gevolgen van enige betekenis kan ondervinden op zijn perceel. In dat verband overweegt de Afdeling dat appellant – gelet op het open karakter van het landschap waarop de windturbines geprojecteerd zijn – vanaf zijn perceel zicht heeft op het windpark. Gelet op het vorenstaande kan appellant worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit. Het beroep is ontvankelijk.

Zie uitspraak ABRS 6 maart 2019, no. 201806841/1/R3.

windparken op land belanghebbende

Doelen energieakkoord nog lang niet in zicht

Doelen energieakkoord nog lang niet in zicht

In een brief van 25 januari 2019 geeft de minister Wiebes een samenvatting weer van de conclusies van de rapportage van het PBL.

Uit de actualisatie die het PBL heeft uitgevoerd komt naar voren dat de verwachte emissiereductie in 2020 ten opzichte van 1990 naar verwachting uitkomt op 21%. Deze verwachting ligt onder de raming die eerder is gedaan in de Nationale Energieverkenning 2017. Deze wordt volgens de brief veroorzaakt door het volgende:

  • een gunstiger economische groei
  • bijstellingen van de geregistreerde uitstoot
  • onzekerheiden rond de economische en fysieke ontwikkelingen
  • energie- en CO²-prijzen
  • beleid
  • ontwikkelingen in de elektriciteitsmarkt van buurlanden
  • weersomstandigheden.

Verder gaat de brief ook in op de uitspraak die het Gerechtshof heeft gedaan in de Urgenda-zaak. Lees verder…

Zonnepark is geen stedelijke ontwikkeling

Zonnepark is geen stedelijke ontwikkeling

De gemeente heeft een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonnepark. Het perceel wordt omgrensd door een woonwijk in het westen, een industrieterrein in het noordwesten en agrarische gronden. Het perceel is circa 14 hectare groot en is op dit moment in gebruik als landbouwgrond.

Er zal op 9 hectare elektriciteit worden opgewekt. Het gaat om zonnepanelen in een zuidopstelling die een hoogte hebben van 2,6 m, omgeven door een hekwerk. Daarnaast wordt er een aantal gebouwen opgericht om technische installaties in onder te brengen en wordt er een toegangsweg aangelegd.

Appellanten wonen op ongeveer 100 à 150 m afstand van het aan te leggen zonnepark en zullen daarop zicht hebben.

Het project is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Het college heeft besloten om aan het project mee te werken door met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo, van het bestemmingsplan af te wijken door omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo.

Appellanten betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een zonnepark kan worden aangemerkt als een andere stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro. Zij voeren aan dat de definitie van stedelijke ontwikkeling in dit artikel betrekking heeft op de aanleg van voorzieningen die resulteren in een groot percentage (meer dan 50%) bedekking van het bodemoppervlak.

De Raad van State overweegt als volgt: “Uit overweging 6.2 van de uitspraak van 28 juni 2017, (…), blijkt dat de Afdeling diverse voorzieningen op het gebied van energieopwekking en -distributie niet als stedelijke ontwikkeling heeft aangemerkt. Genoemd worden: een hoogspanningsverbinding, een windturbinepark en een transformatorstation. Naar het oordeel van de Afdeling is er geen aanleiding voor een andere benadering met betrekking tot een zonnepark, dat naar zijn aard niet wezenlijk verschilt van een windturbinepark. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat een zonnepark, net als een windturbinepark, zich bij uitstek niet goed leent om binnen bestaand stedelijk gebied te worden gerealiseerd. De toepasselijkheid van de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid Bro, op een dergelijke voorziening zou daarentegen juist tot gevolg hebben dat het bevoegde bestuursorgaan telkens zou moeten motiveren waarom deze voorziening niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Dit vindt de Afdeling in het licht van het doel en de strekking van de ladder voor duurzame verstedelijking een onlogische consequentie. (…). Lees meer in uitspraak 23 januari 2019, no. 201804681/1/A1.

Zonnepanelen worden ingepast in bestaand landschap – (…) Door middel van beplanting wordt op het hogere deel ingespeeld door een hogere houtwal en op het lagere deel door lagere rietbeplanting. Het college heeft verder toegelicht dat het zonnepark en de toe te voegen landschapselelementen de lijnen volgen van het oorspronkelijke landschap. De hogere es is ruimtelijk gerespecteerd en als bufferzone bewust niet ingevuld met zonnepanelen. Door het terugbrengen van de houtwal wordt het landschapsbeeld versterkt, aldus het college. 

Zie ook een meer recente uitspraak die bovengenoemde lijn nog een bevestigt, ABRS 23 oktober 2019, no. 201810067/1/R3.

zonnepark

Obstakelverlichting windturbine

Obstakelverlichting windturbine

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van twee windturbines met verlichting. Deze windturbines hebben een maximale ashoogte van 134 m en een maximale tiphoogte van 204,5 m.

Appellant vreest aantasting van de zogenaamde ‘donkerte’ in het gebied als gevolg van de obstakelverlichting die op de windturbines zal worden aangebracht. Volgens hem dient terughoudendheid te worden betracht bij nieuwe verlichting bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied.

Appellant erkent dat in dit geval het aanbrengen van obstakelverlichting op de windturbines uit een oogpunt van veiligheid voor de luchtvaart is vereist, maar betoogt dat door het toepassen van de nieuwste techniek de hinder zoveel mogelijk dient te worden beperkt. Hij wijst daartoe op informatie over een systeem waarbij de verlichting voor een beperkte tijd wordt ingeschakeld zodra een vliegtuig binnen een bepaalde afstand de windturbine nadert. Wanneer gebruik wordt gemaakt van dat systeem, kan de lichthinder zoveel mogelijk worden beperkt.

De Afdeling overweegt als volgt: “De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat obstakelverlichting op grond van internationale burgerluchtvaartregelgeving moet worden toegepast bij de windturbines die hoger zijn dan 150 m. Het college heeft zich voor de vaststelling van voorschrift 2.8 in het bestreden besluit naar het oordeel van de Afdeling kunnen baseren op het Informatieblad. Dit informatieblad voorziet niet in het door appellant bedoelde systeem voor obstakelverlichting dat alleen in werking treedt op nadering van een vliegtuig. (…). Het betoog faalt.” [obstakelverlichting windturbine]

Zie verder r.o. 8 van uitspraak ABRS 31 oktober 2018, no. 201803060/1/R6.

Belanghebbende windparken op land

Belanghebbende windparken op land

Tegen de komst van windparken en windturbines wordt vaak beroep ingesteld bij de Raad van State. Zo ook tegen een windpark in de provincie Drenthe waarin 4 windturbines worden gerealiseerd. De windturbines hebben een ashoogte van 99 tot ten hoogste 122 m. Een rotordiameter van tenminste 115 m en ten hoogste 136 m.

Criteria belanghebbende windparken op land: “De Afdeling hanteert voor windparken op land als uitgangspunt dat gevolgen van enige betekenis aanwezig kunnen worden geacht binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de voor appellanten dichtstbijzijnde windturbine, gemeten vanaf de voet van de windturbine. In veel gevallen bestaat ook buiten deze afstand zicht op het windpark, vooral als het windpark in een open landschap ligt. De Afdeling gaat er echter van uit dat de gevolgen van het zicht op het windpark voor het woon- en leefklimaat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel te beperkt zijn om nog te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. Daarnaast gaat de Afdeling ervan uit dat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel geen andere gevolgen van enige betekenis van het windpark zijn te verwachten, zoals geluid- of slagschaduwhinder van enige betekenis.”

Zie verder r.o. 5.1 van uitspraak ABRS 19 september 2018, no. 201707417/1/R6.

Woningen windpark behoren niet tot inrichting

Woningen windpark behoren niet tot inrichting

De raad heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor het mogelijk maken van een windpark. Het windpark bestaat uit 16 turbines met een tiphoogte van maximaal 204 m.

Belanghebbenden bij windparken – “In de uitspraak van (…) heeft de Afdeling overwogen dat voor windparken op land als uitgangspunt wordt gehanteerd dat gevolgen van enige betekenis aanwezig kunnen worden geacht binnen een afstand van 10 keer de tiphoogte van de voor appellanten dichtstbijzijnde windturbine, gemeten vanaf de voet van de windturbine. In veel gevallen bestaat ook buiten deze afstand zicht op het windpark, vooral als het windpark in open landschap ligt. De Afdeling gaat er echter van uit dat de gevolgen van het zicht op het windpark voor het woon- en leefklimaat op een afstand van meer dan 10 keer de tiphoogte in beginsel te beperkt zijn om nog te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis (…). 

Sfeerwoningen – “Appellanten stellen dat de in het bestemmingsplan aangewezen sfeerwoningen dienen te worden aangemerkt als gevoelige objecten in de zin van het Activiteitenbesluit milieubeheer, omdat deze geen bedrijfswoningen zijn. Zij brengen naar voren dat er tussen deze woningen en de windturbines geen zodanige functionele en organisatorische binding is, dat deze tot de inrichting kunnen worden gerekend. Zij voeren aan dat toezicht op de windturbines niet noodzakelijk is en betwijfelen of er tussen de bewoners van de sfeerwoningen en het windpark een zodanige binding is dat kan worden geconcludeerd dat deze woningen bij het windpark horen. (…). 

Lees verder in r.o. 20 van uitspraak ABRS 19 december 2018, no. 201709490/1/R6.