Blog

Gasloos bouwen niet in bestemmingsplan

Gasloos bouwen niet regelen in bestemmingsplan

Met een bestemmingsplan voor de gemeente Soest worden zo’n 300 woningen mogelijk gemaakt. Appellanten betogen in beroep onder meer dat het voornemen om gasloos te bouwen in het bestemmingsplan had moeten worden geregeld en gewaarborgd.

De Afdeling is het hier niet mee eens en is van oordeel “dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien om in het plan vast te leggen dat gasloos zal worden gebouwd in het plangebied. De invulling van gronden met leidingen die al dan niet geschikt zijn voor het transporteren van gas betreft primair de uitvoering van het plan hetgeen in deze procedure niet aan de orde kan komen. De betogen falen. Overigens is op 9 april 2018 (…) de wet tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet (voortgang energietransitie) in werking getreden. Op grond van deze wet zullen nieuwbouwprojecten in principe gasloos gebouwd moeten worden waartoe onder meer ook het Bouwbesluit 2012 is gewijzigd.”

Lees meer in r.o. 7 van uitspraak ABRS 17 april 2019, no. 201801652/1/R2.

 

Zonne-akkers als verdienmodel voor boeren

Zonne-akkers als verdienmodel voor boeren

Voor de agrarische sector biedt de energietransitie weer allerlei mogelijkheden voor nieuwe inkomsten. En dat is hard nodig. Persoonlijk vind ik dat erg mooi. Een ontwikkeling waar men eerst erg tegen op ziet en die later weer allerlei openingen en mogelijkheden lijkt te bieden. Uiteraard hebben zonne-akkers in het landschap ook weer allerlei nadelen. Eerlijk gezegd denk ik ook dat we moeten wennen dat de transitie in het zicht merkbaar is. We zijn gewend dat we dit niet te zien, veel pijpen en leidingen lopen immers via de ondergrond.

Door de politiek worden er allerlei vragen gesteld over deze zichtbare transitie, en dan met name in het buitengebied. Men vreest dat landbouwgrond zal verdwijnen en dat zonneparken negatieve gevolgen zullen hebben voor de natuur. In een brief van 23 augustus 2019 worden vragen beantwoord door de Minister van kamerleden die om regie vanuit het Rijk hebben gevraagd. Bijvoorbeeld door ruimtelijke instrumenten in te zetten, zoals vanuit de komende Omgevingswet.

In de brief wordt onder meer vermeld dat het aantal zonneparken in Nederland nu ongeveer 300 bedraagt. Zonneparken schijnen als fenomeen harder te groeien dan zonnepanelen op het dak. Lees meer over deze interessante ontwikkeling in de brief.

Windturbine geen ondergeschikte afwijking bestemmingsplan

Windturbine geen ondergeschikte afwijking bestemmingsplan

In een bestemmingsplan is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor het mogelijk maken van solitaire windturbines op bedrijfspercelen. De raad heeft als reden gegeven dat zij geen grootschalige windparken wil toestaan, maar wel wil meewerken aan kleinschalige windturbines op een bedrijfsperceel ten behoeve van de opwekking van energie. De raad heeft om die reden een afwijkingsmogelijkheid opgenomen in de planregels van het bestemmingsplan voor (agrarische) bedrijfspercelen.

De Afdeling overweegt als volgt: “Op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet ruimtelijke ordening, kan in een bestemmingsplan worden bepaald dat met in achtneming van de bij het plan te geven regels bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. Deze afwijking kan alleen een ondergeschikte afwijking van de planregels betreffen. De raad heeft in het plan bewust de keuze gemaakt om solitaire windturbines op bedrijfspercelen in het buitengebied (…) niet bij recht mogelijk te maken. Een voorziening zoals een windturbine wordt dan ook niet expliciet of onder een algemene noemer in de doeleindenomschrijving van de betrokken bestemmingen (…) genoemd. Omdat uit de doeleindenomschrijving van de betrokken bestemmingen niet volgt dat de betreffende gronden mogen worden benut voor een windturbine leidt de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid niet tot een ondergeschikte afwijking van de planregels. De raad had dan ook moeten onderkennen dat de voorziene windturbines op bedrijfspercelen niet met een afwijkingsregeling mogelijk kunnen worden gemaakt. (…).” Zie uitspraak ABRS 15 mei 2019, no. 201704886/1/R2.

De Afdeling overweegt tot slot nog in r.o. 15 dat de raad dit mogelijk had kunnen maken met een wijzigingsbevoegdheid.

windturbine niet ondergeschikt

 

Reflectie zonnepanelen

Reflectie zonnepanelenreflectie zonnepanelen

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een zonnepark van zo’n 26.000 zonnepanelen.

Appellant vreest een aantasting van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van reflectie van de vergunde zonnepanelen.

De rechtbank had eerder overwogen dat aan één zijde van de bovenverdieping van het woongebouw 4929 lichtinvallen gedurende een jaar in de ochtend voorkomen en 828 lichtinvallen ten aanzien van de andere zijde. Naar het oordeel van de rechtbank “volgt echter afdoende uit het rapport dat bij het merendeel van de lichtinval directe zonnestraling van de lage zon simultaan het gebouw treft vanuit dezelfde richting als de reflectiestraal. Doordat deze natuurlijke zonnestraling aanzienlijk groter is dan de reflectie-impact van het geplande zonnepark, kan daarom de hinder van reflectie grotendeels overstemd worden door, of opgaan in, de hinder van de directe zonnestraling. 

Verder is de rechtbank van oordeel dat overige reflecties richting de bovenverdieping van het gebouw dusdanig beperkt zijn, daarbij in acht nemende dat deze uitsluitend in de ochtend plaatsvinden en totaal (na berekening van de bewolktheidskans) niet meer dan 7,35 uur per jaar bedraagt, dat hierdoor geen dusdanige hinder zal optreden voor appellant dat van het verlenen van de omgevingsvergunning had moeten worden afgezien.” De Afdeling is het met de afweging van de rechtbank eens.

Lees meer in uitspraak ABRS 8 mei 2019, no. 201809430/1/A1.

Maximale geluidbelasting windturbine

Maximale geluidbelasting windturbine vastleggen in planregels bestemmingsplan

Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling mogelijk voor een windmolenpark van 4 windturbines. De windturbines worden in een lijnopstelling geplaatst over een afstand van ongeveer 1,2 km. De tiphoogte van de windturbines is ongeveer 150 m. Het type windturbine is niet in het bestemmingsplan vastgelegd.

Appellanten voeren aan dat in het bestemmingsplan ten onrechte niet het type windturbine is vastgesteld. In het akoestisch onderzoek is namelijk uitgegaan van een bepaald type windturbine. Op basis daarvan is de maximale geluidbelasting berekend.

De raad heeft toegelicht dat er geen type windturbine in het plan is vastgelegd omdat de ontwikkelingen op het gebied van windturbines zo snel gaan dat een in het plan vastgelegd type ten tijde van de uitvoering van het plan alweer verouderd kan zijn. De milieugevolgen zullen volgens de raad echter nooit groter zijn dan die in de MER zijn berekend voor het voorkeursalternatief. Dit is volgens de raad geborgd via de aanvraag om omgevingsvergunning.

De Afdeling stelt vast dat in de planregels niet is vastgelegd wat de maximale geluidbelasting mag zijn. Appellanten voeren derhalve terecht aan dat niet in de planregels is geborgd dat de in de MER voor het voorkeursalternatief berekende geluidbelasting niet zal worden overschreden. (…).

Zie uitspraak ABRS 17 april 2019.

geluid windturbine

Belanghebbende windturbines op land

Belanghebbende windturbines op land

De raad van een gemeente in de provincie Zeeland heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de realisatie van een windpark. Het plan maakt 19 windturbines mogelijk. Appellant woont op ongeveer 1.525 meter van de voet van de dichtstbijzijnde windturbine. Hij vreest voor negatieve gevolgen van het windpark.

De vraag die hier aan de orde is, is of appellant wel belanghebbende is in de zin van de Awb.

De raad stelt zich op het standpunt dat appellant geen belanghebbende is. De afstand van de woning van appellant tot de dichtstbijzijnde windturbine is dermate groot dat hij daarvan geen gevolgen van enige betekenis kan ondervinden in de vorm van geluid, slagschaduw en risico. Verder heeft hij niet of nauwelijks zich op de windturbines, aldus de raad.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) “is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit – zoals een bestemmingsplan of een vergunning – toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (…) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. 

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) hanteert zij voor windparken op land als uitgangspunt dat gevolgen van enige betekenis aanwezig kunnen worden geacht binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de voor appellanten dichtstbijzijnde windturbine, gemeten vanaf de voet van de windturbine. In veel gevallen bestaat ook buiten deze afstand zicht op het windpark, vooral als het windpark in een open landschap ligt. De Afdeling gaat er echter van uit dat de gevolgen van het zicht op het windpark voor het woon- en leefklimaat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel te beperkt zijn om nog te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. Daarnaast gaat de Afdeling ervan uit dat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel geen andere gevolgen van enige betekenis van het windpark zijn te verwachten, zoals geluid- of slagschaduwhinder van enige betekenis. 

Het bestemmingsplan maakt windturbines mogelijk met een tiphoogte van maximaal 149,99 meter. Dit betekent dat op een afstand van meer dan 1.499,90 meter in beginsel geen gevolgen van enige betekenis aanwezig worden geacht. Hoewel de woning van appellant zich bevindt op een afstand van meer dan 1.499,90 meter van de dichtstbijzijnde windturbine, bevindt een groot gedeelte van het perceel van appellant, waaronder de direct aan de woning grenzende tuin en een stuk grond waarop een bijgebouw staat, zich wel binnen de afstand van 1.499,90 meter tot de dichtstbijzijnde windturbine. Hierdoor is niet zonder meer uitgesloten dat appellant gevolgen van enige betekenis kan ondervinden op zijn perceel. In dat verband overweegt de Afdeling dat appellant – gelet op het open karakter van het landschap waarop de windturbines geprojecteerd zijn – vanaf zijn perceel zicht heeft op het windpark. Gelet op het vorenstaande kan appellant worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit. Het beroep is ontvankelijk.

Zie uitspraak ABRS 6 maart 2019, no. 201806841/1/R3.

windparken op land belanghebbende

Doelen energieakkoord nog lang niet in zicht

Doelen energieakkoord nog lang niet in zicht

In een brief van 25 januari 2019 geeft de minister Wiebes een samenvatting weer van de conclusies van de rapportage van het PBL.

Uit de actualisatie die het PBL heeft uitgevoerd komt naar voren dat de verwachte emissiereductie in 2020 ten opzichte van 1990 naar verwachting uitkomt op 21%. Deze verwachting ligt onder de raming die eerder is gedaan in de Nationale Energieverkenning 2017. Deze wordt volgens de brief veroorzaakt door het volgende:

  • een gunstiger economische groei
  • bijstellingen van de geregistreerde uitstoot
  • onzekerheiden rond de economische en fysieke ontwikkelingen
  • energie- en CO²-prijzen
  • beleid
  • ontwikkelingen in de elektriciteitsmarkt van buurlanden
  • weersomstandigheden.

Verder gaat de brief ook in op de uitspraak die het Gerechtshof heeft gedaan in de Urgenda-zaak. Lees verder…