Blog

Windturbine geen ondergeschikte afwijking bestemmingsplan

Windturbine geen ondergeschikte afwijking bestemmingsplan

In een bestemmingsplan is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor het mogelijk maken van solitaire windturbines op bedrijfspercelen. De raad heeft als reden gegeven dat zij geen grootschalige windparken wil toestaan, maar wel wil meewerken aan kleinschalige windturbines op een bedrijfsperceel ten behoeve van de opwekking van energie. De raad heeft om die reden een afwijkingsmogelijkheid opgenomen in de planregels van het bestemmingsplan voor (agrarische) bedrijfspercelen.

De Afdeling overweegt als volgt: “Op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet ruimtelijke ordening, kan in een bestemmingsplan worden bepaald dat met in achtneming van de bij het plan te geven regels bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. Deze afwijking kan alleen een ondergeschikte afwijking van de planregels betreffen. De raad heeft in het plan bewust de keuze gemaakt om solitaire windturbines op bedrijfspercelen in het buitengebied (…) niet bij recht mogelijk te maken. Een voorziening zoals een windturbine wordt dan ook niet expliciet of onder een algemene noemer in de doeleindenomschrijving van de betrokken bestemmingen (…) genoemd. Omdat uit de doeleindenomschrijving van de betrokken bestemmingen niet volgt dat de betreffende gronden mogen worden benut voor een windturbine leidt de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid niet tot een ondergeschikte afwijking van de planregels. De raad had dan ook moeten onderkennen dat de voorziene windturbines op bedrijfspercelen niet met een afwijkingsregeling mogelijk kunnen worden gemaakt. (…).” Zie uitspraak ABRS 15 mei 2019, no. 201704886/1/R2.

De Afdeling overweegt tot slot nog in r.o. 15 dat de raad dit mogelijk had kunnen maken met een wijzigingsbevoegdheid.

windturbine niet ondergeschikt

 

Reflectie zonnepanelen

Reflectie zonnepanelenreflectie zonnepanelen

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een zonnepark van zo’n 26.000 zonnepanelen.

Appellant vreest een aantasting van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van reflectie van de vergunde zonnepanelen.

De rechtbank had eerder overwogen dat aan één zijde van de bovenverdieping van het woongebouw 4929 lichtinvallen gedurende een jaar in de ochtend voorkomen en 828 lichtinvallen ten aanzien van de andere zijde. Naar het oordeel van de rechtbank “volgt echter afdoende uit het rapport dat bij het merendeel van de lichtinval directe zonnestraling van de lage zon simultaan het gebouw treft vanuit dezelfde richting als de reflectiestraal. Doordat deze natuurlijke zonnestraling aanzienlijk groter is dan de reflectie-impact van het geplande zonnepark, kan daarom de hinder van reflectie grotendeels overstemd worden door, of opgaan in, de hinder van de directe zonnestraling. 

Verder is de rechtbank van oordeel dat overige reflecties richting de bovenverdieping van het gebouw dusdanig beperkt zijn, daarbij in acht nemende dat deze uitsluitend in de ochtend plaatsvinden en totaal (na berekening van de bewolktheidskans) niet meer dan 7,35 uur per jaar bedraagt, dat hierdoor geen dusdanige hinder zal optreden voor appellant dat van het verlenen van de omgevingsvergunning had moeten worden afgezien.” De Afdeling is het met de afweging van de rechtbank eens.

Lees meer in uitspraak ABRS 8 mei 2019, no. 201809430/1/A1.

Maximale geluidbelasting windturbine

Maximale geluidbelasting windturbine vastleggen in planregels bestemmingsplan

Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling mogelijk voor een windmolenpark van 4 windturbines. De windturbines worden in een lijnopstelling geplaatst over een afstand van ongeveer 1,2 km. De tiphoogte van de windturbines is ongeveer 150 m. Het type windturbine is niet in het bestemmingsplan vastgelegd.

Appellanten voeren aan dat in het bestemmingsplan ten onrechte niet het type windturbine is vastgesteld. In het akoestisch onderzoek is namelijk uitgegaan van een bepaald type windturbine. Op basis daarvan is de maximale geluidbelasting berekend.

De raad heeft toegelicht dat er geen type windturbine in het plan is vastgelegd omdat de ontwikkelingen op het gebied van windturbines zo snel gaan dat een in het plan vastgelegd type ten tijde van de uitvoering van het plan alweer verouderd kan zijn. De milieugevolgen zullen volgens de raad echter nooit groter zijn dan die in de MER zijn berekend voor het voorkeursalternatief. Dit is volgens de raad geborgd via de aanvraag om omgevingsvergunning.

De Afdeling stelt vast dat in de planregels niet is vastgelegd wat de maximale geluidbelasting mag zijn. Appellanten voeren derhalve terecht aan dat niet in de planregels is geborgd dat de in de MER voor het voorkeursalternatief berekende geluidbelasting niet zal worden overschreden. (…).

Zie uitspraak ABRS 17 april 2019.

geluid windturbine

Belanghebbende windturbines op land

Belanghebbende windturbines op land

De raad van een gemeente in de provincie Zeeland heeft een bestemmingsplan vastgesteld voor de realisatie van een windpark. Het plan maakt 19 windturbines mogelijk. Appellant woont op ongeveer 1.525 meter van de voet van de dichtstbijzijnde windturbine. Hij vreest voor negatieve gevolgen van het windpark.

De vraag die hier aan de orde is, is of appellant wel belanghebbende is in de zin van de Awb.

De raad stelt zich op het standpunt dat appellant geen belanghebbende is. De afstand van de woning van appellant tot de dichtstbijzijnde windturbine is dermate groot dat hij daarvan geen gevolgen van enige betekenis kan ondervinden in de vorm van geluid, slagschaduw en risico. Verder heeft hij niet of nauwelijks zich op de windturbines, aldus de raad.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) “is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit – zoals een bestemmingsplan of een vergunning – toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (…) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. 

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (…) hanteert zij voor windparken op land als uitgangspunt dat gevolgen van enige betekenis aanwezig kunnen worden geacht binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de voor appellanten dichtstbijzijnde windturbine, gemeten vanaf de voet van de windturbine. In veel gevallen bestaat ook buiten deze afstand zicht op het windpark, vooral als het windpark in een open landschap ligt. De Afdeling gaat er echter van uit dat de gevolgen van het zicht op het windpark voor het woon- en leefklimaat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel te beperkt zijn om nog te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. Daarnaast gaat de Afdeling ervan uit dat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel geen andere gevolgen van enige betekenis van het windpark zijn te verwachten, zoals geluid- of slagschaduwhinder van enige betekenis. 

Het bestemmingsplan maakt windturbines mogelijk met een tiphoogte van maximaal 149,99 meter. Dit betekent dat op een afstand van meer dan 1.499,90 meter in beginsel geen gevolgen van enige betekenis aanwezig worden geacht. Hoewel de woning van appellant zich bevindt op een afstand van meer dan 1.499,90 meter van de dichtstbijzijnde windturbine, bevindt een groot gedeelte van het perceel van appellant, waaronder de direct aan de woning grenzende tuin en een stuk grond waarop een bijgebouw staat, zich wel binnen de afstand van 1.499,90 meter tot de dichtstbijzijnde windturbine. Hierdoor is niet zonder meer uitgesloten dat appellant gevolgen van enige betekenis kan ondervinden op zijn perceel. In dat verband overweegt de Afdeling dat appellant – gelet op het open karakter van het landschap waarop de windturbines geprojecteerd zijn – vanaf zijn perceel zicht heeft op het windpark. Gelet op het vorenstaande kan appellant worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit. Het beroep is ontvankelijk.

Zie uitspraak ABRS 6 maart 2019, no. 201806841/1/R3.

windparken op land belanghebbende

Doelen energieakkoord nog lang niet in zicht

Doelen energieakkoord nog lang niet in zicht

In een brief van 25 januari 2019 geeft de minister Wiebes een samenvatting weer van de conclusies van de rapportage van het PBL.

Uit de actualisatie die het PBL heeft uitgevoerd komt naar voren dat de verwachte emissiereductie in 2020 ten opzichte van 1990 naar verwachting uitkomt op 21%. Deze verwachting ligt onder de raming die eerder is gedaan in de Nationale Energieverkenning 2017. Deze wordt volgens de brief veroorzaakt door het volgende:

  • een gunstiger economische groei
  • bijstellingen van de geregistreerde uitstoot
  • onzekerheiden rond de economische en fysieke ontwikkelingen
  • energie- en CO²-prijzen
  • beleid
  • ontwikkelingen in de elektriciteitsmarkt van buurlanden
  • weersomstandigheden.

Verder gaat de brief ook in op de uitspraak die het Gerechtshof heeft gedaan in de Urgenda-zaak. Lees verder…

Zonnepark is geen stedelijke ontwikkeling

Zonnepark is geen stedelijke ontwikkeling

De gemeente heeft een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonnepark. Het perceel wordt omgrensd door een woonwijk in het westen, een industrieterrein in het noordwesten en agrarische gronden. Het perceel is circa 14 hectare groot en is op dit moment in gebruik als landbouwgrond.

Er zal op 9 hectare elektriciteit worden opgewekt. Het gaat om zonnepanelen in een zuidopstelling die een hoogte hebben van 2,6 m, omgeven door een hekwerk. Daarnaast wordt er een aantal gebouwen opgericht om technische installaties in onder te brengen en wordt er een toegangsweg aangelegd.

Appellanten wonen op ongeveer 100 à 150 m afstand van het aan te leggen zonnepark en zullen daarop zicht hebben.

Het project is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Het college heeft besloten om aan het project mee te werken door met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo, van het bestemmingsplan af te wijken door omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo.

Appellanten betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een zonnepark kan worden aangemerkt als een andere stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro. Zij voeren aan dat de definitie van stedelijke ontwikkeling in dit artikel betrekking heeft op de aanleg van voorzieningen die resulteren in een groot percentage (meer dan 50%) bedekking van het bodemoppervlak.

De Raad van State overweegt als volgt: “Uit overweging 6.2 van de uitspraak van 28 juni 2017, (…), blijkt dat de Afdeling diverse voorzieningen op het gebied van energieopwekking en -distributie niet als stedelijke ontwikkeling heeft aangemerkt. Genoemd worden: een hoogspanningsverbinding, een windturbinepark en een transformatorstation. Naar het oordeel van de Afdeling is er geen aanleiding voor een andere benadering met betrekking tot een zonnepark, dat naar zijn aard niet wezenlijk verschilt van een windturbinepark. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat een zonnepark, net als een windturbinepark, zich bij uitstek niet goed leent om binnen bestaand stedelijk gebied te worden gerealiseerd. De toepasselijkheid van de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid Bro, op een dergelijke voorziening zou daarentegen juist tot gevolg hebben dat het bevoegde bestuursorgaan telkens zou moeten motiveren waarom deze voorziening niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Dit vindt de Afdeling in het licht van het doel en de strekking van de ladder voor duurzame verstedelijking een onlogische consequentie. (…). Lees meer in uitspraak 23 januari 2019, no. 201804681/1/A1.

Zonnepanelen worden ingepast in bestaand landschap – (…) Door middel van beplanting wordt op het hogere deel ingespeeld door een hogere houtwal en op het lagere deel door lagere rietbeplanting. Het college heeft verder toegelicht dat het zonnepark en de toe te voegen landschapselelementen de lijnen volgen van het oorspronkelijke landschap. De hogere es is ruimtelijk gerespecteerd en als bufferzone bewust niet ingevuld met zonnepanelen. Door het terugbrengen van de houtwal wordt het landschapsbeeld versterkt, aldus het college. 

zonnepark

Obstakelverlichting windturbine

Obstakelverlichting windturbine

Het college van B&W heeft een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van twee windturbines met verlichting. Deze windturbines hebben een maximale ashoogte van 134 m en een maximale tiphoogte van 204,5 m.

Appellant vreest aantasting van de zogenaamde ‘donkerte’ in het gebied als gevolg van de obstakelverlichting die op de windturbines zal worden aangebracht. Volgens hem dient terughoudendheid te worden betracht bij nieuwe verlichting bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied.

Appellant erkent dat in dit geval het aanbrengen van obstakelverlichting op de windturbines uit een oogpunt van veiligheid voor de luchtvaart is vereist, maar betoogt dat door het toepassen van de nieuwste techniek de hinder zoveel mogelijk dient te worden beperkt. Hij wijst daartoe op informatie over een systeem waarbij de verlichting voor een beperkte tijd wordt ingeschakeld zodra een vliegtuig binnen een bepaalde afstand de windturbine nadert. Wanneer gebruik wordt gemaakt van dat systeem, kan de lichthinder zoveel mogelijk worden beperkt.

De Afdeling overweegt als volgt: “De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat obstakelverlichting op grond van internationale burgerluchtvaartregelgeving moet worden toegepast bij de windturbines die hoger zijn dan 150 m. Het college heeft zich voor de vaststelling van voorschrift 2.8 in het bestreden besluit naar het oordeel van de Afdeling kunnen baseren op het Informatieblad. Dit informatieblad voorziet niet in het door appellant bedoelde systeem voor obstakelverlichting dat alleen in werking treedt op nadering van een vliegtuig. (…). Het betoog faalt.” [obstakelverlichting windturbine]

Zie verder r.o. 8 van uitspraak ABRS 31 oktober 2018, no. 201803060/1/R6.